niet uitgesproken rede

Rede van beeldend kunstenaar Bart Drost, vanwege hevige sneeuwval niet uitgesproken bij de feestelijke openingsexpositie van de website Kunst en Meer te Zeist, 7 december 2012.

Ter gelegenheid van zijn 58ste verjaardag heeft Bart Drost de rede in een boekje gevat.


"Geachte aanwezigen, beste mensen, waarde collega's,

men heeft mij gevraagd om vandaag 'een woordje te doen', waarvoor hartelijk dank.
Ik ben uitgenodigd in mijn hoedanigheid van beeldend kunstenaar.

Het kunstenaarschap is één van de vele hoedanigheden waarin ik mij manifesteer. Ik ben tevens onder meer vader, zoon, broer, oom, leraar handvaardigheid en textiele werkvormen, tentoonstellingsmaker, schrijver, treinreiziger, wandelaar, man, creatief therapeut; ik heb een horecadiploma, ik heb geen zwemdiploma. Maar bovenal ben ik mens.

Toen ik werd uitgenodigd om een woordje te doen heb ik  - zonder na te denken - om een beamer gevraagd, onder het motto het gaat hier om 'kunst' en kunst moet gezien worden. Achteraf schaam ik mij ietwat over deze vraag: immers we bevinden ons hier te midden van een tentoonstelling met talloze kunstwerken van heel verscheidene kunstenaars. Wat moet ik hier nog aan toe voegen? Dus geen beelden van mij toegevoegd: om uw kunst, om jullie kunst gaat het nu!

Mij is gevraagd iets te vertellen over het kunstzinnige proces; en of dit kunstzinnig proces invloed heeft ? en zo ja welke ? op een herstel proces. Ook wilde men graag horen over mijn eigen proces en op welke manier daar een raakvlak is met het omgaan in het nemen van hindernissen (dieptepunten) in mijn ontwikkeling als kunstenaar en als mens.
Laat ik maar beginnen met enkele dingen over mezelf te vertellen en er op vertrouwen dat de aan mij gestelde vragen al doende beantwoord zullen worden!


Ik ben geboren in Venlo, in 1955, in een middenstandsgezin. Er zijn drie oudere zusjes, ik bleef de enige zoon. Als peuter ontwikkelde zich bij mij dauwworm en eczeem, als kleuter kwam daar astmatische bronchitis bij. Ik was dus een ziekelijk jongetje. Mijn ouders hadden het 'druk in de zaak' , het huishouden werd gerund door 'een meisje voor dag en nacht'.  Zo rond mijn 5e levensjaar raakte mijn vader zwaar depressief. Mijn  zussen gingen na mijn 8e allen naar kostschool. Ik bleef als enig kind thuis. Het rijk alleen.


Mijn moeder las mij iedere avond voor. Beter gezegd: zij vertelde mij iedere avond een kort verhaaltje. Ik zat dan rechtop in bed, onder mijn dekentje met in mijn linkerhand mijn beertje Teddy, op de rechterarm mijn beertje White-je. Mijn moeder zat op de rand van mijn bed en vertelde 'zo uit het blote hoofd' van de avonturen die de beide beertjes op die dag hadden meegemaakt. Iedere avond een nieuw verhaaltje.


Zo rond mijn 6e levensjaar overkwam mij iets mysterieus: wij hadden op onze kleine zolder een heel klein kamertje. Daar werden de winterkleren opgeborgen en meer zaken die niet het gehele jaar door nodig zijn. Het rook er een beetje muffig. Op een dag ? ik was alleen boven en een beetje aan het rondneuzen, lekker tussen die rommeltjes - zag ik er een kleine kabouterkoning. Ja, wat is klein: ik was klein, de kabouterkoning iets kleiner, denk ik. Ik zag hem staan te midden van de kleren. We hebben niet tot elkaar gesproken, enkel een blik gewisseld. Denk ik. Een gouden kroontje had hij op zijn hoofd. Of hij een baard had, dat staat me niet bij. Hoe hij er kwam en hoe hij weer verdween, geen idee. Enkel het feit dat ik hem zag staat mij bij.


Zo lang als ik mij heugen kan hadden wij thuis een hond. We hadden ook een groot aquarium met tropische vissen, een volière met vogeltjes en in de tuin kippen, fazanten, konijnen en marmotten. Een kat hadden we niet. De hond (die honden kan ik beter zeggen, want tja, ook een hond sterft. Maar dan kwam er telkens weer een nieuwe) was mijn huisgenoot, mijn boezemvriend. Ik herinner mij hoe ik samen met de hond voor de steenkoolkachel op de grond lig, lekker tegen elkaar aan en hoe ik dan zijn - o zo zachte - oortje in mijn hand heb en dan dit oortje tussen de vingers van mijn hand heen en weer laat glijden. Onderwijl sabbel ik lekker op twee vingers van mijn andere hand. Later, in mijn puberjaren, zal de hond een trouwe metgezel zijn bij de lange wandelingen met een vaste groep vrienden op zondagochtend door de bossen. Van 9 tot 12, en dan thuis met z'n allen een bord door moeder gemaakte soep eten.


Zie hier de basis ingrediënten voor de thema's in mijn kunst: een prinsje, de eenzaamheid, kindertijd, opwinding, tederheid, koning in niemandsland, verlangen. Niet dat ik me daar destijds bewust van was, absoluut niet.


Kunst was een 'ver van mijn bed show'. In huize Drost bleef kunst beperkt tot Duitse Schlagers, operette op TV ? die lustige Witwe - en zo nu en dan een optreden van Meneer Windhausen, een gesjeesde kunstenaar over wie mijn vader zich ontfermd had en die tegen betaling bijvoorbeeld een portret van mij mocht schilderen. Of van paarden, een landschapje of iets dergelijks. En dan was er ook nog Meneer Schutte. Hij had op het terrein achter de winkel van mijn ouders een bedrijfje waar hij gipsen tuinkabouters en ? al naar gelang het seizoen ? kerstgroepen maakte. Hij werkte daar op één hoog.  Via een gammele houten buitentrap kon je op de vervallen verdieping komen. Met een griezelig grote ? maar brave ? zwarte hond. Iedere dag rond het middaguur kwam zijn vrouw hem zijn twaalfuurtje en een thermoskan koffie brengen. Vele uren heb ik in de werkplaats van meneer Schutte doorgebracht. Beetje zitten, beetje kijken. Mij verwonderd welke een metamorfose een gipsen beeld ondergaat wanneer kwast, penseel en verfspuit er op los gelaten worden. We hebben weinig woorden gewisseld, Meneer Schutte en ik.


Even samenvatten, wat hebben we: 'n sneu jochie, ziekelijk, zoekt steun en toeverlaat bij zijn hond. Groeit op te midden van verzonnen verhalen en kabouters.


Dan komt de puberteit! Aj, wat was ik onzeker. Daarbij speelden mijn astma-aanvallen behoorlijk op. De longspecialist had mij een goed geneesmiddel voorgeschreven, een verstuiver en die werkte als een tovermiddel. Zozeer dat ik op een goede dag niet meer zonder kon. Om de apotheker niet te verontrusten liet ik mijn vriendjes telkens om en om een nieuwe verstuiver kopen. Het geld 'vond' ik ergens in huis of in de kassa van de winkel van mijn ouders. Ik kwam in aanraking met alcohol en huppa! Het hek van de dam. Te veel drinken, te vaak dronken. Het sneue jongetje werd een labiele adolescent. Het vele drinken en dan vaak 'niet meer weten wat er gebeurd is' maakte mij onzeker en met het laatste restje zelfvertrouwen toonde ik mij overmoedig en ging ik na mijn middelbare schooltijd in Venlo ? ouderwets gymnasium alfa met echt Grieks en Latijn! ?  studeren in de grote stad Amsterdam. Dat was halverwege de jaren '70.


'We' waren tegen de oneerlijke verdeling van de rijkdom der aarde, tegen oorlog en we  geloofden in de maakbaarheid van de wereld. Dus ging ik andragogie studeren: 3 maanden. Daarna een andere opleiding: NXX, kinderverzorging, opvoeding en handenarbeid: 1 jaar. Toen rechten: 3 maanden. Tenslotte dan de lerarenopleiding handvaardigheid en textiele werkvormen (want tekenen kon ik niet). Met einddiploma. En daarna de kunstacademie: monumentaal textiel (want tekenen kon ik niet). Ook die heb ik afgerond.
Een godsgeschenk.


Langzaamaan kom ik bij de beantwoording van de vragen, geloof ik.


Op de lerarenopleiding aanbeland kom ik dan in aanraking met een nieuwe taal: beelden. Angstig en onzeker geworden hadden gesproken woorden voor mij geen zeggingskracht meer. Ik wantrouwde woorden. Beloftes, bekentenissen, verwijten, ik kende het hele repertoire. Maar tijdens de opleiding ervaar ik dat ik door beelden te maken ook dingen kan vertellen: ik kan vertellen zonder woorden. Daar ontdek ik dat ik met beelden de verhalen van mijn leven opnieuw vorm kan geven; die verhalen in een nieuw daglicht kan zetten. Er een andere kijk op kan geven en door die andere kijk ga ik die verhalen (mijn leven) ook anders beleven. Ik geef als het ware een eigen draai aan mijn leven, een draai die het leven draaglijk voor mij maakt. Ik leer dat ik nieuwe, eigen persoonlijke beelden kan scheppen. Dat mijn wereld een eigenstandige plaats mag hebben binnen het grote universum.


Ook ervaar ik dat de ander wordt geraakt door mijn werk. Het 'doet iets' met de ander. Er vindt een uitwisseling plaats. En ik hoor dat er van alles over mijn beelden wordt gezegd. Wanneer ik over mijn werk horen praten, denk 'Gaat dit over mij?'. En ik merk ook dat me dit eigenlijk helemaal niets uit maakt: wat mij betreft mag iedereen zijn eigen verhaal verbinden aan mijn beelden; ieder mag zijn eigen herkenningspunten, referenties hebben. Moeilijk wordt het enkel dan, wanneer gezegd wordt 'de kunstenaar bedoelt hier dit of dat mee'.


We leven in een tijd van weten, van weten = meten.


Er valt aan kunst niets te meten. Dat de waarde van kunst kan in geld kan worden uitgedrukt is een drogbeeld. Denk maar aan 'Tussen Kunst en Kitsch': wanneer daar aan een kunstwerk een bedrag wordt toegekend, wat verandert er dan aan het kunstwerk? Wordt het mooier? Lelijker? Kunst is onbetaalbaar.


Aan kunst valt niets te oordelen, beoordelen of veroordelen. Je kunt je eigen beleving spiegelen in het kunstwerk, dat wel. Je kunt je eigen houding ertoe bepalen. Je kunt er iets van vinden: mooi, lelijk, fijn, afschuwelijk. Het kan je raken en het kan je koud laten. Je kunt worden aangesproken door het kunstwerk.


Aan kunst valt te beleven. We kunnen proberen ons te verplaatsen in de kunstenaar, in zijn activiteit, in het 'werken' van de kunstenaar op het moment dat hij het werkstuk aan het maken was; we kunnen als het ware het kunstwerk 'mee maken'. We kunnen ons inleven in de thematiek van het kunstwerk. We kunnen het kunstwerk interpreteren, we kunnen er onze eigen verhalen bij vertellen.


En juist dat, het kunnen vertellen van je eigen verhaal, het zich laten ontrollen van de hoofdstukken zin voor zin, de tekening lijn voor lijn, de compositie kleur voor kleur, draagt er toe bij dat de mens 'heel' wordt, dat hij stukje bij beetje zijn legpuzzel maakt. Al doende brengt hij een ordening aan in zijn leven. Via de  beelden kan hij die ordening wijzigen, accenten verschuiven. Daarin kan hij zijn kracht (her)vinden.
Ik meen dit alles bij mijn eigen werkproces te herkennen.


Na 25 jaar vrij werken in de kunsten met als resultaat een gigantische productie tekeningen, schilderijen, beelden, installaties en tentoonstellingen verschoof het accent in mijn kunstenaarschap. Ik kon nog steeds niet tekenen, maar tekende er lustig op los! Daar zat 't 'm niet in. Misschien was ik 'uitverteld'? Waren de hoofdstukken van mijn boek voltooid? Misschien was ik gewoon toe aan iets anders. Wellicht had ik genoeg van de eenzaamheid van het atelier en durfde ik eindelijk het contact met mensen aan.


Langzaam kwam ik tot de ontdekking dat niet zozeer het resultaat van het maken van kunst van belang is, maar dat juist de activiteit, het maken zelf de kern van alle kunst is.

Mijn leermeester Harry Boom hield ons tijdens de opleiding voor:
maken =  meemaken     werken =  verwerken     leven =  beleven

Op het moment dat ik mij realiseerde dat niet het product, het kunstwerk, het doel van het scheppen is, maar juist het maken zelf van het kunstwerk drong de essentie van Booms woorden tot mij door:
het gaan van de weg is de kern van alle kunst.

Dank voor uw aandacht"




uitgegeven in 2013

digiprint

oplage 100, genummerd en gesigneerd,
waarin opgenomen telkens 1 originele tekening.

34 pagina's


terug naar archief

Next

Bart Drost

vrij kunstenaar

Graafseweg 183a
6531ZR Nijmegen